
Tandvullingen worden gebruikt om gecarieerde of afgebroken tanden te herstellen. Wanneer een tand om een of andere reden niet onmiddellijk gevuld kan worden, wordt de tand met een tijdelijk vullingsmateriaal gevuld zoals met een mengsel van zinkoxide en eugenol. Nadien dient de tand definitief gevuld worden.
Definitieve vullingen kunnen rechtstreeks aangemaakt worden en in de mond geplaatst worden. Vroeger was het enig materiaal bladgoud. Maar nu worden amalgaam en composiet gebruikt. Amalgaam wordt aangevochten omwille van de kwik die het bevat. Biologische tandartsen gebruiken nooit amalgaan.
Door gebruik van de computer en CAD CAM toepassingen is het nu ook mogelijk om keramische vullingen te maken in één zittijd. Na het beslijpen van de tand zal de tandarts geen afdruk nemen, maar met een mini scanner de juiste gegevens registreren die de computer nodig heeft om een 3D restauratie te tekenen. Nadien stuurt de computer deze gegevens naar een freesmachine, waar de tandrestauratie uit een stukje keramiek gefreesd wordt. De tandarts zal dan de zo vervaardigde keramische vulling in de tand kleven.
Cariës of tandbederf is de meest voorkomende infectieziekte in de wereld. Naar schatting 95% van de wereldbevolking lijdt er aan. De oude volksnaam is tandwolf.

Er zijn sumerische teksten gevonden, waaruit blijkt dat men dacht dat cariës werd veroorzaakt door tandwormen. Dergelijke tandwormen worden vaker genoemd in de geschiedenis, bv door de oude Egytpenaren. Cariës is een demineralisatie proces van het tandweefsel: tandglazuur, dentine (=tandbeen) en wortelcement. De demineralisatie wordt in gang gezet door zuren die geproduceerd worden door bepaalde bacteriën, omgezet vanuit suikers. Voorbeelden van bacteriën die cariës veroorzaken zijn voornamelijk Streptococcus mutans en Lactobacillus. Door de aanmaak van zuren door deze bacteriën daalt de pH. Door het zuur neemt de oplosbaarheid van het calciumhydroxyapatiet (het mineraal waaruit het tandglazuur bestaat) toe, en zal het dus oplossen. Zo ontstaat een caviteit. Zuur uit voedsel, wat direct demineralisatie veroorzaakt van tanden en kiezen wordt niet gezien als cariës, maar als erosie van de tanden en kiezen. De bacteriën die cariës veroorzaken bevinden zich overal in de mond. Iedereen heeft deze bacteriën in zijn mond, in meer of mindere mate. Deze cariës veroorzakende bacteriën bevinden zich in tandplaque. Vanuit deze tandplaque kunnen de bacteriën cariës veroorzaken.
De aantasting van de tand of kies wordt in de eerste fase van cariës meestal gezien als een witte doffe plek (laesie) op het glazuur, die naarmate de tijd verstrijkt kan verkleuren. Tot dit punt kan de tand zich nog herstellen door remineralisatie. Een laesie (beginnend gaatje), die herstelt kan men herkennen aan het nog aanwezig zijn van de verkleuring (wit of bruin) en aan het harde en glimmende oppervlak van deze plek van verkleuring. Wanneer het cariësproces doorgaat, dan zal het glazuur dermate verzwakt worden dat het glazuur afbrokkelt en er een holte ontstaat. Zo ontstaat een caviteit (gaatje) waardoor de bacteriën toegang krijgen tot het dentine. Het dentine bestaat deels uit organisch materiaal dat rechtstreeks door de bacteriën geconsumeerd kan worden en zo wordt de tand rot. De tanden hebben een afweermechanisme (door het afstoppen van de dentinekanaaltjes), maar bij lange en frequente zuuraanvallen (= hoge frequentie van suikerconsumptie) is deze ontoereikend. De cariës kan voortgaan tot aan de tandzenuw. De tandzenuw zal hierdoor geirriteerd raken, al dan niet gepaard gaande met kiespijn.
Composiet als tandheelkundige term is vullingsmateriaal dat bestaat uit een matrixfase en een vulstoffase. In de praktijk gaat het om vullingsmateriaal met een matrix van kunsthars, een bindmiddel en een anorganische vulstof als kwarts, glas, enz. Door de vulstof krijgt het vulmateriaal zijn stevigheid, de kunsthars zorgt voor een goede verwerkbaarheid van het materiaal en het bindmiddel (silaan) hecht de stoffen goed aan elkaar.
Composieten worden, na het etsen van de tand met meestal fosforzuur (35%-50%) of een ander zuur en het aanbrengen van een primer en een bonding, aan het tandmateriaal gekleefd in tegenstelling tot amalgaam die door retentie houdt. Er zijn diverse systemen op de markt; een aantal producenten bieden bijv. zelfetsende bonding aan. De sterkte van de binding staat daarbij wel ter discussie.

Tevens is composiet zowel chemischhardend als lichthardend verkrijgbaar. Een combinatie daarvan is ook mogelijk, dit zijn de zogenaamde dual-cure composieten. Het polymerisatieproces wordt chemisch of door licht (fotopolymerisatie) op gang gebracht. Bij chemischhardend composiet worden vaak twee pasta's gemengd, lichthardend composiet wordt hard doordat de stof camforoquinone splitst in radicalen die het polymerisatieproces op gang brengen.
Het is erg belangrijk de krimp zoveel als mogelijk te minimaliseren. De tandarts kan dit doen door de caviteit niet in één keer te vullen, zeker als deze groot is. In laagjes aangebracht kan dan de totale krimp worden gecompenseerd en is ook zeker dat al het materiaal wordt uitgehard. De gemiddelde maximale dikte die bij de meeste uithardingslampen aan wordt gehouden is ongeveer 3 mm. Het voorkomen van de zogenaamde 'witte vullingen gevoeligheid' kan zo zeer waarschijnlijk worden voorkomen of tot een minimum worden beperkt.

Het glas bestaat uit een flux van aluminiumoxide (Al2O3), siliciumoxide (SiO2) en calciumfluoride (CaF2) en is een chemisch aantastbaar glas. Een ionomeer is een polymeer dat ionogene functionele groepen bevat. Het is een cement op basis van een aluminiumfluorosilicaatglas (poeder) en een polyalkeenzuur (vloeistof) dat bestaat uit (een mengel van) acrylzuur, itaconzuur, maleïnezuur en wijnsteenzuur. Wijnsteenzuur treedt voornamelijk op als regulator, dat de verwerkingstijd verlengt en de verhardingstijd verkort.
Bij mengen tast het zuur de glasdeeltjes aan, waarbij er orthokiezelzuur ontstaat (Si(OH)4). De aluminium- en calciumdeeltjes migreren hier doorheen, om aan de carboxylaatgroepen van de zuren te hechten en alzo bruggen te vormen tussen verschillende zuurdeeltjes. Uiteindelijk ontstaat er een matrix van het polyalkeenzuur (gebonden door de kationen Al3+ en Ca2+), en een vulstof van de niet-gereageerde glasdeeltjes, die omgeven worden door een laag silicagel (gedehydrateerd orthokiezelzuur).